Verrassend, leerzaam, Amsterdams.
Feitjes Amsterdam
Mokums woordenboek

Kop, smoel en tengels

61 woorden

Je ponem, je gok, je jatten en je kuierlatten. Het lichaam van top tot teen, op zijn Amsterdams.

Bekakt

verwaand, 'met de neus in de lucht'

Dikke benen

drukte (je moet je geen dikke benen maken, 'maak je niet druk')

Giechel

  1. mond
  2. neus (volgens Van Dale, maar daar zijn velen het niet mee eens)

Gok

  1. neus
  2. raadsel, 'het is een gok'
  3. lach (hebreeuws)

Harses

ook: hasses

hoofd, maar ook hersens

Jatten

  1. aanwijsstokjes (uit het Joods)
  2. stelen
  3. handen, vingers

Kanus

ook: kanes, kanis

hoofd, kop, gezicht

Klauwen

  1. stelen
  2. handen, 'laat het niet uit je klauwen vallen'

Kluiten

  1. geld
  2. onbeheersbaar geworden, boven het hoofd gegroeid

Kneiter

gek, niet goed bij zijn hoofd

Knoedeltje

  1. afwasborstel
  2. dotje haar op het hoofd van een vrouw

Kronkel

steekje los, niet goed bij je hoofd zijn

Manus

ook: manussie

mannetje dat allerlei hand- en spandiensten kan verrichten, iemand die met zijn handen werkt

Melik

  1. maag
  2. mond ('stop het maar in je melik')

Miesponem

chagrijnig of onsympathiek gezicht; ook iemand met zo'n gezicht

Mik

  1. maag
  2. het is voor elkaar, het is klaar (het is 'dikke mik')

Muil

mond (komt wellicht van het Antwerpse MULLE)

Murf

ook: murven

mond, bek

Pan

gezicht (dat is ook geen pan, houd je pan)

Ponem

ook: porem, porum

smoel, gezicht

Porem

ook: ponem, porum

smoel, gezicht

Raap

gezicht ('recht voor zijn raap')

Scharregat

klein kontje (meestal bij wat dikkere mensen die geen dikke kont hebben)

Sjoege

  1. kennis van iets hebben, 'hij heeft er weet van'
  2. leven (hij geeft geen sjoege, kortom 'hij is dood')
  3. reactie (geen sjoege geven = hij doet alsof zijn neus bloedt)

Smiezen

ogen (in de smiezen hebben: in de gaten hebben/ houden)

Smoel

ook: smoelwerk
  1. aangezicht, 'Amsterdam heeft smoel' (positieve lading).
  2. hoofd (negatieve bijklank)

Splitsen

toestoppen, meestal tegen iemands' wil in ('in de maag gesplitst')

Taart

  1. onbehouwen vrouw
  2. achterwerk van een vrouw

Tram 11

ook: lijn 11

lopen, te voet gaan (op je twee benen)

Tronie

gezicht (meestal met een negatieve klank 'boeventronie')

Wammes

  1. kleding of schoenen
  2. gezicht (klap op zijn wammes)

Wegtrekker

  1. schrikken, 'wit om de neus worden'
  2. dood gaan