Verrassend, leerzaam, Amsterdams.
Feitjes Amsterdam
Mokums woordenboek

Mokums met de M

84 woorden en uitdrukkingen

Maatje

  1. vriend
  2. eerste haring van het seizoen

Mafdaai

gekkie, niet kwaad bedoeld

Majem

ook: majim

gracht, water, regen

Makke

gebrek, last, tegenslag

Makkie

simpel klusje, een zekerheidje

Malaise

zwak, ziek, misselijk en moe tegelijk (ook wel: symptomen van verschillende ziekten)

Malen

ergens constant mee bezig zijn, niet kunnen stoppen met nadenken (piekeren)

Mallemoer

  1. kapot (VOC tijd, moer die doordraait)
  2. rot op (loop naar je malle moer, je gekke moeder)

Maltendig

weekhartig, overdreven medelijdend, snel jankend over een pijntje, snel gekwetst

Mannetje

iemand die zich laat gelden, een leider (maar soms ook gekscherend bedoeld)

Mansen

ook: mansjen

geld ophalen (orgeldraaier)

Manus

ook: manussie

mannetje dat allerlei hand- en spandiensten kan verrichten, iemand die met zijn handen werkt

Manzer

bastaard (Joods) schurk (Bargoens)

Mataglap

knettergek (ergens mataglap van worden)

Matrozenrondje

  1. moeite voor niets gedaan
  2. als je vraagt of iemand iets wil drinken en er 'nee' wordt gezegd

Matsen

regelen, ik maak het goed met je, je krijgt het goedkoper

Matten

  1. vechten
  2. vlechten van rieten rugleunen

Mazzel

ook: mazzeltof
  1. geluk hebben
  2. gedag zeggen ('de mazzel!; als iemand weg gaat)

Mazzelpik

iemand die altijd de wind mee heeft

Mazzeltof

ook: mazzeltov, mazzeltow

geluk gewenst, gefeliciteerd, het allerbeste

Medine

provincie (Mokum en de medine)

Meikever

profiteur, iemand die (net als het diertje) naar buiten komt als het klimaat hem bevalt

Meis

  1. dode
  2. jongensnaam
  3. groep bekenden
  4. vrouw (afkomstig van meisje, meissie, meissien)

Melik

  1. maag
  2. mond ('stop het maar in je melik')

Melken

uithoren maar wordt ook wel als 'sarren' gebruikt

Melogem

hard, flink aanpakken (van 'dat is een flinke klus) nieuwmarkt- tot waterloopleinbuurt)

Mengelmoes

ratjetoe, allegaartje (van alles in een pan omroeren)

Mesjogge

ook: mesjokke

krankzinnig, gek

Meug

zin, lust (tegen heug en meug)

Meuk

(rot-) zooi, de hele meuk = de hele zooi

Miepen

zeuren, kleinzielig, kleinzeerig doen

Mik

  1. maag
  2. het is voor elkaar, het is klaar (het is 'dikke mik')

Mikmak

rommel, mengelmoes ('de hele mikmak', negatieve klank)

Minidemuchi

veel van weinig, kortom, het is knap waardeloos

Mishpoge

ook: misjpoge
  1. familie
  2. iedereen, een bepaalde groep
  3. zaak, handel

Moetje

trouwen omdat er een kindje op komst is

Moeven

wegwezen (uiteraard verbasterd van het Engelse woord 'moven')

Mokum

  1. de eerste betekenis van mokum is niet stad, het woord komt uit het Hebreeuws, van makom (plaats)
  2. stad
  3. Amsterdam of beter gezegd 'Groot Mokum'

Mokum eo

ook: Amsterdam eo

Amsterdam en de rest van Nederland

Mollen

  1. (laten) vermoorden
  2. verraaiers op het politiebureau, corrupte agenten (zelfde als 'platte agenten')

Molm

geld (zeer oud, bargoens, 'geld is smerig, vermolmd')

Mom

het een zeggen en het ander bedoelen

Mombakkes

vermomming, masker (aanduiding voor een onbetrouwbaar persoon)

Mop

  1. geld
  2. zwabber om de grond mee te dweilen
  3. grap
  4. meissie

Mores

gebruiken binnen een groep, beroep of vereniging ('ik zal hem eens eventjes mores leren')

Morgenster

iemand die 's morgens vroeg de vuilniszakken openmaakt op zoek naar handel

Mormel

naar jong, kwast (maar wordt ook van een beest gezegd)

Mot

ruzie (mot met iemand hebben)

Motje

ook: moetje

een gedwongen huwelijk omdat er een baby op komst is

Mud

100 gulden

Muggenzifter

kniesoor, iemand die op alle slakken zout legt

Muil

mond (komt wellicht van het Antwerpse MULLE)