Verrassend, leerzaam, Amsterdams.
Feitjes Amsterdam
Mokums woordenboek

Mokums met de D

50 woorden en uitdrukkingen

Daai

  1. diamant, edelsteen
  2. klap
  3. knikker

Dagdief

leegloper, een nietsnut, iemand die niets uitvreet de hele dag

Dakhaas

  1. inbreker
  2. stuk onbenul
  3. loodgieter, met name een die de regenpijpen repareert
  4. kat, dit was in de oorlog de benaming voor katten, die vanwege honger en voedselschaarste als 'haas' werden bereid/ gegeten

Dalven

presentjes aannemen van criminelen (door politie en ambtenarij)

Deis je

hou je gemak (komt van Daii = stil in het Hebreeuws)

Dekken

op wacht (de uitkijk) staan bij een onguur zaakje

Derrie

viezigheid (van eten of blubber maar ook diarree; 'getsiederrie')

Dibbes

man, 'he, ouwe dibbes'

Dikke benen

drukte (je moet je geen dikke benen maken, 'maak je niet druk')

Doerak

belhamel, straatschoffie

Dokken

betalen (vaak tegen je zin)

Donderstraal

  1. dondersteen, onverbeterlijke deugniet
  2. oprotten ('donderstraal een eind op')

Dooddoener

opmerking die kant noch wal raakt, je kunt er niks mee

Dooie

ook: dooie diender

saai figuur, 'heeft niets te melden'

Doppie

  1. hoedje, petje
  2. wippie, vluggertje

Douw

veroordeeld tot een straf

Drossen

  1. weglopen uit militaire dienst
  2. als zeelui niet terugkeren naar hun schip

Duizend

iemand die goed kan rekenen

Duppie

tien cent, een dubbeltje