Verrassend, leerzaam, Amsterdams.
Feitjes Amsterdam
Mokums woordenboek

Geld en centen

72 woorden

Van joetje tot meier: hoe Amsterdammers het over geld hebben. Veel woorden stammen nog uit de tijd van de gulden.

Ballen

geld (ik heb er 100 ballen voor over)

Bink

iemand die zijn centen laat rollen

Blut

geld is op, platzak

Bonis

geld, 'in de bonis zitten' = goed bij kas zitten

Centenbakkie

  1. bakkie waarmee de orgelman geld ophaalt
  2. vooruitstekende kin

Dokken

betalen (vaak tegen je zin)

Duppie

tien cent, een dubbeltje

Jatmous

ook: jatmoos

eerste geld van de dag, wordt meestal op gespuugd voor de mazzel

Joetje

ook: joedje

10 gulden, 10 euro

Jouker

te gek (soms ook negatief bedoeld zoals te duur of absurd 'te jouker')

Kargadoor

hulpje die voor een paar centen helpt je kar over de bruggen te krijgen

Kluiten

  1. geld
  2. onbeheersbaar geworden, boven het hoofd gegroeid

Knaak

rijksdaalder, twee gulden vijftig

Knip

  1. portemonnee
  2. akkoord ('het zit in de knipt')

Krentenkakker

gierigaard, iemand die wel geld heeft maar het niet uitgeeft

Krentenweger

gierigaard, iemand die amper geld heeft en ook geen cent uitgeeft

Lappen

  1. verraden (erbij lappen)
  2. gezamenlijk betalen (kan soms tegen je zin zijn)

Mansen

ook: mansjen

geld ophalen (orgeldraaier)

Molm

geld (zeer oud, bargoens, 'geld is smerig, vermolmd')

Mop

  1. geld
  2. zwabber om de grond mee te dweilen
  3. grap
  4. meissie

Mud

100 gulden

Nering

handel, dat waarmee je je geld verdient ('de tering naar de nering zetten')

Ping

ook: ping ping

geld

Plak

vroeger had je muntstukken van 2,5 cent, die werden 'plak' genoemd

Platzak

geen geld op zak hebben, blut, hoeft dus niet per se failliet te zijn

Pop

geld ('honderd pop')

Prent

  1. bekeuring, nog vaak gebruikt
  2. bankbiljet, nauwelijks nog gebruikt

Riks

twee gulden vijftig (rijksdaalder)

Rooie

ook: rooitje

1.000 gulden

Rug

1.000 gulden

Sappelen

hard werken voor een paar centen

Schmuck

ook: sjmuk
  1. juwelen, sieraden (niet al te duur spul)
  2. aankleding, versierselen
  3. onzin, roddels (nieuws voor sommigen)

Straatmadelief

vrouw van lichte zeden die haar geld op straat verdient