Achterwiel
een rijksdaalder (2,50)
Van joetje tot meier: hoe Amsterdammers het over geld hebben. Veel woorden stammen nog uit de tijd van de gulden.
een rijksdaalder (2,50)
betalen, leveren
geld (ik heb er 100 ballen voor over)
100 gulden/ euro
tien cent, dubbeltje
betalen
koopje
iemand die zijn centen laat rollen
geld is op, platzak
geld, 'in de bonis zitten' = goed bij kas zitten
papiergeld
1 gulden vijftig
betalen (vaak tegen je zin)
tellen hoeveel geld je nog hebt voor een afzakkertje
geld (VOC tijd)
tien cent, een dubbeltje
euro
25 gulden
koopje, bijna voor niets
vijftig gulden
kwartje, 25 cent
dubbeltje, tien cent
eerste geld van de dag, wordt meestal op gespuugd voor de mazzel
10 gulden, 10 euro
te gek (soms ook negatief bedoeld zoals te duur of absurd 'te jouker')
hulpje die voor een paar centen helpt je kar over de bruggen te krijgen
rijksdaalder, twee gulden vijftig
iemand die op zijn centen zit
duur (poenig) doen
gierigaard, iemand die wel geld heeft maar het niet uitgeeft
gierigaard, iemand die amper geld heeft en ook geen cent uitgeeft
1,50 gulden, een daalder dus
geld ophalen (orgeldraaier)
100 gulden
dik doen met andermans geld
geld (zeer oud, bargoens, 'geld is smerig, vermolmd')
geld
100 gulden
geld
handel, dat waarmee je je geld verdient ('de tering naar de nering zetten')
geld
pak geld
een gulden
geld
geld
vroeger had je muntstukken van 2,5 cent, die werden 'plak' genoemd
geen geld op zak hebben, blut, hoeft dus niet per se failliet te zijn
geld
knip, portemonnee
geld ('honderd pop')
twee gulden vijftig (rijksdaalder)
1.000 gulden
briefje van duizend gulden
1.000 gulden
hard werken voor een paar centen
koopje, bijna voor niets
goed bij geld zitten
1 cent
1 cent
vrouw van lichte zeden die haar geld op straat verdient
flink laten betalen (zie ook 'snappel')
portemonnee
dubbeltje