Verrassend, leerzaam, Amsterdams.
Feitjes Amsterdam
Mokums woordenboek

Borrel en bier

66 woorden

Een kopstoot, een pikketanesie of een keilertje. Amsterdam heeft ontelbare woorden voor een glaasje, en nog meer voor wat er daarna gebeurt.

Afzakkertje

laatste borreltje voor het slapen of naar huis gaan

Amsterdammertje

  1. paaltjes in Amsterdam (die aan het verdwijnen zijn)
  2. laatste beetje in een fles (gratis halve borrel)
  3. vaasje bier zonder goud randje, anders is het een Rotterdammertje

Bakkie

  1. pilsje (bakkie doen: pilsje drinken)
  2. kop koffie

Beneveld

aangeschoten (dus niet compleet dronken, dan ben je lam)

Bierblik

na een paar biertjes ziet alles er mooier uit

Hanggans

woord uit 2006, laatste klant in een café

Hompetent

zaak van niks (waardeloos café, hotel of restaurant)

Innemen

  1. een broek korter maken
  2. goederen voor de verkoop innemen en later afrekenen
  3. flink drinken

Jan Doedel

  1. jenever
  2. slappeling, sulletje
  3. voor niks gedaan

Kegel

de lucht van drank ('hij heeft een kegel')

Keil

ook: keiltje

borrel, jenever

Klare

jenever (jonge en oude klare)

Kopstoot

pilsje met een jonge borrel ernaast

Laven

iemand dronken voeren

Loksijs

ook: loksijzen

aantrekkelijk meisje achter de bar dat klanten het café in moet lokken

Matrozenrondje

  1. moeite voor niets gedaan
  2. als je vraagt of iemand iets wil drinken en er 'nee' wordt gezegd

Natnek

iemand die een stevig borreltje lust

Nippen

klein slokje van iets nemen, meestal een jonge borrel ('bukken en afdrinken')

Sikker

ook: sjikker

dronkaard of dronken

Spiese

ook: spies

herberg, kroeg

Tetteren

  1. kwekken, schreeuwen, hard praten
  2. flink drinken, zuipen

Tic

jenever (colaatje tic)

Tierelier

  1. soepel
  2. slap ('dronken als een tierelier', doelend op hoe iemand heen en weer zwabbert)

Toog

bar in een café

Zopie

ook: sopie

borreltje (komt van koek en sopie)