Willem Daniël Cramer
Een rechter op het stadhuis, geroemd om zijn zachtaardigheid, en schoonvader van een latere burgemeester.
Willem Daniël Cramer was een Amsterdammer van geboorte en een jurist in hart en nieren. Hij werd op 10 september 1788 geboren als zoon van regent Barent Cramer, studeerde rechten aan het Atheneum Illustre en promoveerde in 1808 in Leiden. Daarna volgde een lange loopbaan bij de rechtbank in zijn eigen stad: advocaat, substituut-officier van justitie, rechter-commissaris en ten slotte officier van justitie. Ondertussen zat hij vanaf 1829 in de gemeenteraad.
Van de rechtbank naar het stadhuis
In maart 1836 ruilde hij de rechtszaal in voor het stadhuis. Hij volgde Van de Poll op, die net na een conflict met Den Haag was opgestapt. Cramer bleef burgemeester tot 1 januari 1842, bijna zes jaar. Het waren de laatste jaren van koning Willem I, die in 1840 aftrad. Cramer gold als regeringsgezind. In 1840 werd hij lid van de Raad van State in buitengewone dienst en zat hij een maand in de Dubbele Tweede Kamer, die in dat jaar de grondwetsherziening behandelde.
Tijdgenoten waren lovend. Volgens een levensbeschrijving uit die tijd behartigde hij de belangen van Amsterdam met waardigheid en kunde, en werden zijn trouw, nauwgezetheid en onvermoeide inzet door iedereen erkend. Hij stond bekend als zachtaardig en bescheiden. Geschriften liet hij niet na, maar hij gold toch als een voortreffelijk rechtsgeleerde.
Kerkmeester en schoonvader
Naast zijn werk was Cramer kerkmeester van de Eilandskerk en de Zuiderkerk, curator van de stadsarmenscholen en lid van de genootschappen Doctrina en het Leesmuseum. Na zijn burgemeesterschap ging hij terug naar de rechtspraak: hij werd vicepresident en in 1852 president van het Provinciaal Gerechtshof van Noord-Holland.
Cramer trouwde twee keer. Zijn dochter Wilhelmina trouwde met Cornelis Boot, die van 1855 tot 1858 zelf burgemeester van Amsterdam werd. Volgens zijn biografen hielp die familieband Boot in zijn carrière. Cramer overleed op 21 december 1856 in Amsterdam.
- 01Cramer was officier van justitie in Amsterdam voordat hij in 1836 burgemeester werd.
- 02Hij was kerkmeester van de Zuiderkerk en de Eilandskerk.
- 03Zijn schoonzoon Cornelis Boot werd in 1855 ook burgemeester van Amsterdam.
- 04Na het burgemeesterschap werd hij president van het Gerechtshof van Noord-Holland.